Programmaboekje: Georgië’s jongste muzikale belofte

Pianisten Tsotne Zedginidze en Sandro Gegechkori

za 9 dec ’23 / 20:00 / Nieuwe Kerk

Programma

Tsotne Zedginidze piano

Franz Schubert 1797-1828
4 Impromptus opus 90 D899 (1827)
- nr.1 in c: Allegro molto moderato
- nr.2 in Es: Allegro
- nr.3 in Ges: Andante
- nr.4 in As: Allegretto

Tsotne Zedginidze 2009
- Dolorem (Tristesse)
- Printemps

pauze

Sandro Gegechkori piano

Ludwig van Beethoven 1770-1827
6 Bagatelles opus 126 (1824)
- nr.1 in G: Andante con moto, cantabile e compiacevole
- nr.2 in g: Allegro
- nr.3 in Es: Andante, cantabile e grazioso
- nr.4 in b: Presto
- nr.5 in G: Quasi allegretto
- nr.6 in Es: Presto - Andante amabile e con moto

Franz Liszt 1811-1886
Sonate in b (1853)
- Lento assai - Andante sostenuto - Allegro energico

Sandro Gegechkori 2000
3 Little Pieces for Piano
- Lullaby
- Dream
- Silence

Revaz Lagidze 1921-1981
Rondo toccata (1957)

Programmatoelichting

Een muzikale schadevergoeding
Hoe een ordinaire ruzie over geld tot iets wonderschoons kan leiden. In de laatste jaren van zijn leven zat Beethoven bijzonder krap bij kas: de voogdij over zijn neefje, medische kosten en schulden bij uitgevers hadden hem in de problemen gebracht. Hij klopte aan bij zijn broer Johann, een welgestelde zakenman. Deze hielp Beethoven uit de brand, op voorwaarde dat hij de rechten over de Bagatelles opus 119 zou krijgen. Johann wilde de werken vervolgens aan uitgevers verkopen, maar in de tussentijd verkocht Beethoven het zelf aan een Engelse uitgeverij. Johann was des duivels en wilde gecompenseerd worden. Aangezien Beethoven daar het geld niet voor had, heeft hij zes nieuwe bagatelles voor zijn broer geschreven: opus 126. Hij noemde de set een ‘Ciclus von Kleinigkeiten’ (Cyclus van kleinigheidjes) en dat toont aan dat Beethoven een uitvoering van de zes stukken als geheel voor ogen had. In de bagatelles varieert de sfeer van verstilde lyriek tot wanhopige stormachtigheid, vaak met plotselinge overgangen. Een goed voorbeeld is het begin van de zesde bagatelle: de schijnbare chaos doet denken aan het begin van de finale van Beethovens Negende symfonie, in dezelfde periode gecomponeerd, waarna plotseling een ‘andante amabile’ (vriendelijk andante) volgt. We horen Beethoven in de bagatelles net zoals in zijn symfonieën, maar dan samengevat: in een kwartier tijd en op slechts één instrument.

Schuberts Lieder ohne Worte
Hoewel François Couperin al in 1717 bagatelles schreef en Beethoven dat een vervolg gaf, was het Schubert die romantische componisten pas echt inspireerde met korte pianostukken: de impromptus, vertaald ‘onverwacht’. Hiermee zochten romantische componisten naar een eigen, individuele expressie. Dat betekende ook dat veel impromptus vormvrij waren, maar Schubert gebruikte meestal een ABA-vorm, met B als middensectie en A als het begin dat aan het einde weer terugkeert. Dat is ook de vorm waarin de meeste liederen zijn gecomponeerd en Schubert, liedcomponist bij uitstek, heeft aan deze vorm vastgehouden. Ook qua karakter lijken sommige impromptus op liederen, zoals opus 90, nummer 3. De tijdloze, gezongen melodie en subtiele begeleiding in de middenstem zorgen ervoor dat dit een van Schuberts meest geliefde werken is. Ook de wat ‘stevigere’ impromptus hebben nog altijd een lyrische inslag. Zelfs de begrafenismars waarmee de eerste impromptu begint, krijgt nooit écht een beethoveniaanse tragiek, en ook de snelle toonladderfiguren in de tweede klinken niet als de virtuositeit van Liszt. Schuberts impromptus zijn liederen voor de piano, oftewel ‘Lieder ohne Worte’: een titel van Mendelssohn, een idee van Schubert.

Lyriek en duivelskunsten
In navolging van Schubert schreef ook Liszt impromptus, maar een werk van een heel ander kaliber is zijn sonate. Een van de grootste monumenten uit de pianoliteratuur begint raadselachtig met een korte toon, laag en zacht. Deze toon klinkt nogmaals en vervolgens krijgt het raadsel een onheilspellend karakter met een dalende toonladder die eindigt in het diepe, lage register van de piano. Na nog eens de losse tonen en de toonladder klinkt een plotselinge uitbarsting in een luid en springerig motief in octaven. Daarna wordt de sfeer weer net zo onheilspellend als daarvoor: lage, gerepeteerde tonen, ook wel het hamerslagmotief genoemd. Hiermee toont Liszt de drie motieven waarop vrijwel alle melodieën in zijn sonate zijn gebaseerd. Je zou het een inhoudsopgave kunnen noemen. Wellicht was dat geen overbodige luxe, want een ononderbroken werk van een half uur, vol virtuositeit, was in 1853 voor velen moeilijk te begrijpen. Zo weigerde Clara Schumann het uit te voeren en zou Brahms zelfs in slaap zijn gevallen toen Liszt het voor hem speelde. Over de vorm en betekenis van het stuk verschillen de meningen zelfs vandaag de dag nog: bestaat het uit drie of vier ononderbroken delen? En wat betekenen de motieven aan het begin van de sonate? Het zouden karakters uit de Faustlegende kunnen zijn, of een strijd tussen God en de duivel, of misschien is het ‘gewoon’ muziek op zich. 

Hoe dan ook, de sonate werd steeds geliefder en wordt nu als een van de absolute meesterwerken van het pianorepertoire gezien. En terecht: het is fascinerend hoe Liszt de motieven uit het begin telkens weer een andere context geeft. Een prachtig voorbeeld is hoe het macabere hamerslagmotief al vroeg in het eerste deel transformeert tot een liefdevol, gezongen thema in het hoge register van de piano. Veel later in het werk keren de dalende toonladders vrijwel letterlijk terug en vervolgens ontwikkelt het springerige motief zich tot een fuga. Dit moment wordt gezien als de reprise (herhaling van het begin) in een grote, overkoepelende sonatevorm. Liszt combineert hier technieken en speelt met de vorm, aangezien ook het begin van het werk in de sonatevorm staat. Muziektheoretici breken zich hier nog altijd het hoofd over, maar het belangrijkste is dat Liszt met zijn sonate een meesterwerk heeft geschreven waarin duizelingwekkende virtuositeit, meeslepende lyriek en voelbare samenhang door slechts drie korte motieven samenkomen. 

Oude polyfonie en nieuwe inspiratie
Georgië kent een bloeiende en diep gewortelde muziekcultuur en die werpt zijn vruchten af. Zo zijn Georgische musici wereldwijd opvallend goed vertegenwoordigd in orkesten en operagezelschappen en ook brengt het land vele beroemde solisten voort. Vandaag de dag zijn bijvoorbeeld pianiste Khatia Buniatishvili en violiste Lisa Batiashvili zeer succesvol, evenals de Georgisch-Nederlandse pianiste Nino Gvetadze.

Al voordat het christendom in de vierde eeuw na Christus zijn intrede deed in Georgië werden er volop polyfone gezangen uitgevoerd. De meestal driestemmige gezangen zong men bij speciale gelegenheden, zoals bruiloften en begrafenissen, maar ook gewoon aan de keukentafel en in restaurants. Toen Tbilisi in de vijfde eeuw hoofdstad van Georgië werd en verschillende delen van het land met elkaar verbond, ontstond daar een algemenere Georgische stijl, die zich onder meer kenmerkte door dissonante samenklanken. Die stijl kwam halverwege de negentiende eeuw in aanraking met de westerse klassieke muziek en versmolt daarmee. Ondanks deze versmelting is ook het oorspronkelijke polyfone gezang nog altijd springlevend bij de lokale bevolking. UNESCO plaatste het in 2001 op de lijst van het Orale en Immateriële Erfgoed van de Mensheid. 

Met hun Georgische achtergrond en geïnspireerd door de westerse kunstmuziek hebben componisten als Revaz Lagidze, Nodar Gabunia en Gia Kantsjeli internationaal naam gemaakt. Lagidze schreef symfonische werken, enkele opera’s en muziek voor ruim dertig films. Zijn Rondo toccata is een uiterst virtuoos werk, nog stevig verankerd in de romantiek. De jonge pianisten van dit recital zijn ook als componist actief en beiden voeren vanavond enkele eigen werken uit.

© Bart de Graaf

Biografieën

Tsotne Zedginidze
De jonge Georgische pianist Tsotne Zedginidze (2009) is een uniek talent met een overweldigende muzikaliteit. Tsotne is niet alleen actief als pianist, maar begon op zeer jonge leeftijd ook met componeren. Tijdens zijn studie raakte hij steeds meer geïnteresseerd in muziek uit de twintigste en eenentwintigste eeuw. Vooraanstaande musici als Daniel Barenboim, Jörg Widmann en Gia Kantsjeli beschouwen hem als een ​​van de meest begaafde musici van de eeuw. Hij wordt ondersteund door de Lisa Batiashvili Foundation, die zich richt op Georgische musici. Tijdens het Tsinandali Festival 2021 vond de première plaats van Tsotne’s Sonate voor viool en piano, gespeeld door hemzelf en violiste Lisa Batiashvili.

Behalve in Amare treedt Tsotne Zedginidze dit seizoen op in onder meer Bozar in Brussel en op het Lucerne Festival met Lisa Batiashvili. Hij zal in Japan zijn debuut maken met recitals in Osaka en Tokio en geeft in januari een uitvoering van het Pianoconcert van Schönberg met het Bayerisches Landesjugendorchester onder leiding van Sir Simon Rattle.

Sandro Gegechkori
Ook Sandro Gegechkori (2000) is een opvallende vertegenwoordiger van de jonge generatie van de Georgische pianoschool. Al op zeer jonge leeftijd kreeg hij internationale erkenning en succes. Hij won onder meer het Concurs Internacional Maria Canals in Barcelona, het Feurich Concours in Wenen en de Arno Babajanyan International Piano Competition in Jerevan (Armenië). Dit stelde hem in staat met diverse vooraanstaande orkesten op te treden en recitals te geven op belangrijke Europese podia. In Nederland is Sandro onder andere bekend van zijn optreden bij Podium Klassiek in 2022. Ook gaf hij vorig jaar een optreden in het Concertgebouw.

Sandro Gegechkori studeert momenteel aan het Staatsconservatorium in Tbilisi bij Alexander Garber.

Podium Klassiek

Bekijk het fragment van de 22-jarige Georgische pianist Sandro Gegechkori in Podium Klassiek:

Binnenkort in Amare

Carte Blanche voor David Fray

David Fray

di 23 apr '24 20:15

Carte Blanche voor Behzod Abduraimov

Behzod Abduraimov

wo 17 jan '24 20:15 - 22:05

Human: Nature, An Imaginary Suite

Daria van den Bercken

Nature of Sounds
di 26 dec '23 14:00 - 15:00