Pärt op z'n best!
Ests Filharmonisch Kamerkoor

di 10 mrt / 20:15 / Concertzaal

Programma

Arvo Pärt Missa syllabica
Arvo Pärt 7 Magnificat - Antiphonen
Arvo Pärt Magnificat
Arvo Pärt Deer’s Cry
Arvo Pärt Dopo la vittoria
Arvo Pärt Kanon pokojanen: Kondakion, Ikos, Prayer After the Canon


Programmatoelichting

Nadat Arvo Pärt met zijn tintinnabuli-stijl een uitweg had gevonden voor zijn muzikale impasse, greep hij al snel naar religieuze teksten om zijn hervonden compositorisch elan op los te laten. Niet zo gek: de belangrijkste inspiratiebronnen voor zijn inmiddels zeer bekende stijl waren onder andere het gregoriaans, de renaissance-meerstemmigheid en de muziek van de Russisch-Orthodoxe kerk. Vanaf Missa syllabica uit 1977 ontstond een lange reeks meditatieve religieuze werken, veelal voor koor a capella, met Kanon Pokajanen als absoluut hoogtepunt.

Arvo Pärt is sinds de laatste decennia van de twintigste eeuw uitgegroeid tot een internationale grootheid. Zijn meditatieve werken, zowel instrumentaal als vocaal, zijn niet meer weg te denken uit de canon van het hedendaags klassieke repertoire. September vorig jaar bereikte de componist de respectabele leeftijd van negentig jaar, een mooie aanleiding voor het Ests Philharmonisch Kamerkoor en dirigent Tõnu Kaljuste, van meet af aan een advocaat van het werk van Pärt, om een dwarsdoorsnede van zijn religieuze a capella-werken te presenteren.

Pärt was als kleine jongen al geïnteresseerd in muziek en vrij snel werd duidelijk dat zijn pad daar zou liggen. Hij studeerde aan het Conservatorium van Tallinn in Estland en werd net als vele componisten in de vroege tweede helft van de twintigste eeuw gekneed in de moderne muzikale taal. Bij Pärt bleef naast het werk van Bartók, Prokofjev en Sjostakovitsj vooral de twaalftoonstechniek van Arnold Schönberg hangen. Werken als Necrolog, zijn eerste orkestwerk, Credo uit 1968 en zijn Eerste symfonie deden de wenkbrauwen van de Sovjetautoriteiten flink fronsen. Ook de huidige Pärtliefhebber zal even schrikken als hij deze werken van vóór 1976 hoort.

Pärt vond zijn werk zelf ook niet bevredigend. Sterker nog: hij raakte halverwege de jaren zestig in een muzikale identiteitscrisis. Zijn zoektocht naar muziek die dichter bij zijn persoonlijkheid stond en niet meewaaide met de gangbare stijlen van die tijd, bracht hem naar het gregoriaans en de oude renaissance-meerstemmigheid van onder anderen Guillaume de Machaut en Josquin Des Prez. Ook vond hij rust bij de Russisch-Orthodoxe kerk. Het geloof zou een steeds grotere plek in zijn latere oeuvre innemen. Na zijn Derde symfonie uit 1971, een overgangswerk, vond hij de zo gewenste oprechte eenvoud in 1976 met Für Alina voor piano solo. In dit werk gebruikte hij voor het eerst zijn eigen zogenaamde tintinnabuli-stijl, genoemd naar het Latijnse woord voor klokken. Hiermee wijst hij vooral op de harmonie die ‘klokachtig’ van aard is en vaak beierend ‘stil staat’. Het maakt het ogenschijnlijk zeer eenvoudige Für Alina tot een blauwdruk van Pärts stijl, van Pärts ‘geheim’. Het is een stukje van nauwelijks drie minuten dat iedereen met een klein beetje piano-ervaring zich eigen kan maken. Het bestaat slechts uit een reeks tweeklanken over een (virtueel) doorklinkende grondtoon. Ze zijn zo gekozen dat ze doorgaans prettig klinken en ondertussen een hele wereld representeren terwijl ze in schommelende, ‘beierende’ golfbewegingen steeds weer op hetzelfde punt terugkomen. In dit compositieprocedé, dat hij vanaf dat moment zowel vocaal als instrumentaal toepast, combineert Pärt de eenvoud en het reciterend karakter van het gregoriaans met de harmonische finesses van de renaissancepolyfonie en de stemvoering van de Russische vocale traditie.

Avondgebed
In 1977 volgde met Missa Syllabica zijn eerste vocale werk in deze stijl, een zetting van de standaarddelen van de katholieke mis. “Ik wilde er niet te veel van mijn eigen emoties en inzichten aan toevoegen; ik wilde de woorden objectief gebruiken, zodat ze een liturgische functie konden vervullen”, zei Pärt later over deze zeer verstaanbare en inderdaad syllabische miszetting. Na dit compositorische en religieuze statement zouden de religieuze teksten een belangrijke rol blijven spelen in de ontwikkeling van Pärt. Al deze werken ontstonden in opdracht. Zo schreef hij in 1988 de Sieben Magnificat-Antiphonen voor het veertigjarig bestaan van het RIAS Kammerchor. Hij zette de zeven antifonen die traditioneel gezongen worden tijdens het avondgebed in de zeven dagen voorafgaand aan kerstavond op de Duitse tekst en bracht ze samen tot één groots concertstuk. Wel zorgde hij dat elk antifoon zijn eigen karakter behoud, afhankelijk van de onderliggende tekst.

Ook het Magnificat, dat Pärt een jaar later schreef, was een Duitse opdracht. Hij componeerde het voor het Staats- und Domchor in zijn woonplaats Berlijn. In dit Magnificat, de lofzang voor Maria, is Pärts toepassing van de tintinnabuli-stijl geheel volwassen geworden en maakt hij subtiel gebruik van liggen blijvende tonen terwijl de tijd ondertussen stil lijkt te staan. “Tijd en tijdloosheid zijn met elkaar verbonden”, zei Pärt ooit in een toelichting op dit werk. “Dit moment en de eeuwigheid strijden in ons. En dit is de oorzaak van al onze tegenstrijdigheden, onze koppigheid, onze bekrompenheid, ons geloof en ons verdriet.”

Verlossing
Met Dopo la vittoria uit 1996 (rev. 1998), gecomponeerd ter gelegenheid van de zestienhonderdste sterfdag van Sint Ambrosius, de beschermheilige van Milaan, en The Deer’s Cry uit 2007, geschreven voor de Louth Contemporary Music Society in Ierland op een tekst toegeschreven aan de Ierse beschermheilige Sint Patrick gaan we met sprongen door de recentere ontwikkeling van Pärt heen. Wat in Dopo la vittoria sluimerend aanwezig is, komt in The Deer’s Cry krachtig naar voren: Pärt gaat flexibeler om met zijn tintinnabulistijl en laat steeds duidelijker elementen uit de klassieke tonaliteit toe.

Dat is ook al waar te nemen in zijn Kanon Pokajanen, het meest omvangrijke en ambitieuze werk voor koor a capella van de hand van Pärt, dat ter gelegenheid van het zevenhonderdvijftigjarig bestaan van de kathedraal van Keulen in maart 1998 in première ging. Het ruim twee uur durende werk is een diepgelovige vraag om vergiffenis en verlossing gebaseerd op de negen odes van de Orthodoxe Boetekanon aan Christus die wordt toegeschreven aan de Heilige Andreas van Kreta (660-740). De tekst is volledig opgesteld in het Kerkslavisch, een taal die enkel in Bijbelse teksten gebruikt wordt. Pärt componeerde alle odes en voegde tussen de zesde en zevende ode twee korte intermezzi in (Kondakion en Ikos), die net als de epiloog, het ruim tien minuten durende Gebet nach dem Kanon, apart van het geheel uitgevoerd kunnen worden. Waar de twee intermezzi lichtvoetiger en melodieuzer van aard zijn dan de omringende odes, is het Gebet nach dem Kanon zowel een climax als een ‘verlossende’ conclusie van het geheel waarin concentratie, meditatie, tijd en eeuwigheid zich samenvoegen tot het heerlijk wiegen in helende handen dat in nagenoeg alle muziek van Pärt terugkeert. Het is de rust van de samenklanken, de wetenschap van het steeds weer ‘naar huis terugkeren’ en het ‘religieuze’ besef dat er meer is en dat alles goed is zoals het is, de bijna baarmoederlijke veiligheid waardoor zijn werk elke keer binnenkomt en waardoor de negentigjarige Pärt is uitgegroeid tot de meest geliefde hedendaagse componist van dit moment.

Door Paul Janssen

Uitvoerenden

Ests Filharmonisch Kamerkoor: internationale koortraditie van wereldklasse

Het Ests Filharmonisch Kamerkoor geldt als een van de meest toonaangevende koren ter wereld. Het koor werd in 1981 opgericht door Tõnu Kaljuste, die sinds seizoen 2021/2022 opnieuw artistiek leider en chef-dirigent is. In de tussenliggende jaren stonden onder anderen Paul Hillier, Daniel Reuss en Kaspars Putniņš aan het roer.

Het repertoire reikt van gregoriaans en barok tot muziek van de 21e eeuw, met bijzondere aandacht voor Estse componisten als Arvo Pärt, Veljo Tormis, Erkki-Sven Tüür en Tõnu Kõrvits. Jaarlijks verzorgt het koor zo’n 60 tot 70 concerten in binnen- en buitenland. Het koor werkte samen met dirigenten als Claudio Abbado, Neeme Järvi, Paavo Järvi, Sir Simon Rattle en Gustavo Dudamel, en met orkesten als het London Symphony Orchestra, het Mahler Chamber Orchestra en het Los Angeles Philharmonic. Het koor was te gast op festivals en in zalen als de BBC Proms, het Salzburg Festival, het Concertgebouw Amsterdam, de Elbphilharmonie, Carnegie Hall en de Sydney Opera House.

Op cd-gebied behoort het koor eveneens tot de absolute top. Opnames voor onder meer ECM en Harmonia Mundi leverden twee Grammy Awards voor Best Choral Performance op (voor Da Pacem en Adam’s Lament van Arvo Pärt), naast talrijke andere internationale onderscheidingen. In 2020 werd het koor door BBC Music Magazine uitgeroepen tot een van de tien beste koren ter wereld; in 2024 bevestigde Classic FM die positie opnieuw.

Meer in Amare

Waiting list

Wish list

Added:

To wishlist